Skip to main content
SearchLoginLogin or Signup

Inleiding

Published onJun 27, 2024
Inleiding
·

“We still instinctively reach for the old vocabularies, the ones we owe to Enlightenment and Romanticism.”1

Charles Taylor


Wie zich door de taal laat misleiden, raakt volgens Ludwig Wittgenstein niet zelden de weg kwijt. Hij vergelijkt taal met een oude stad met steegjes, pleinen, oude en nieuwe huizen en daaromheen nieuwbouwwijken met rechte straten en moderne gebouwen.2 Voor zichzelf ziet hij de rol van gids weggelegd: “Um ein guter Führer zu sein, sollte man den Leuten zuerst die Hauptstraßen zeigen, doch ich bin ein äußerst schlechter Führer und werde leicht durch interessante Örtlichkeiten vom Weg abgelenkt und neige dazu, Nebenstraßen einzuschlagen, bevor ich die Hauptstraßen gezeigt habe.“3 Met valse bescheidenheid omschrijft Wittgenstein zichzelf als slechte gids terwijl hij weet dat wie een stad goed wil leren kennen niet alleen de platgetreden hoofdstraten moet bewandelen, maar juist de zijstraten moet induiken. Alleen zo ontdekt iemand interessante plekken.

In nagenoeg al zijn werken leidt filosoof en dichter Maarten Doorman de lezer via kronkelweggetjes en achterafsteegjes naar de meest fascinerende plekken. Of hij nu schrijft over de vooruitgang in de kunst, de canon, de romantische orde, Frankrijk, Duitsland of Europa, telkens biedt hij door onbekende zijstraten in te slaan een vernieuwend en intrigerend perspectief. Hoofdstraten komen in een ander licht te staan wanneer het oog zich verliest in kleurrijke zijstraten, zo maakt bijvoorbeeld ook Paul Klee duidelijk met zijn schilderij Hauptweg und Nebenwege (1929).

Met dit liber amicorum eren collega’s, vrienden en vriendinnen van Doorman zijn verdiensten voor de filosofie en wetenschap. Maar ook zijn rol als publiek intellectueel moet worden gewaardeerd. Zo entameerde Doorman een debat over de canon en mengde hij zich in debatten over kunst en literaire kritiek.4 Na ruim drie decennia aan de Universiteit van Maastricht te hebben gewerkt gaat hij met emeritaat. Dit betekent in zijn geval zeker niet dat hij ophoudt met zijn onderzoek. Op het terrein van de esthetica en cultuurfilosofie heeft hij nog tal van onderzoeksprojecten lopen.

Een van de centrale thema’s die Doorman onderzoekt is het spanningsveld tussen Verlichting en Romantiek. Zonder deze hoofdstraat uit het oog te verliezen, heeft hij dit thema via allerlei zijstraten uitgediept. Zo werpt hij een bijzonder licht op de Verlichting en Romantiek door beschouwingen van het werk van onder meer Rousseau, Choderlos de Laclos, Novalis, de gebroeders Schlegel, Caspar David Friedrich, Anselm Kiefer en François Ozon. In zijn publicaties laat hij clichématige tegenstellingen die met beide tijdperken worden geassocieerd ver achter zich, zoals die tussen licht en donker, denken en voelen, hoofd en hart, objectief en subjectief, materieel en spiritueel, analyse en synthese, mechanisch en organisch. Dat geldt met name voor zijn baanbrekende werk De Romantische orde.5 Maar ook in de daaropvolgende werken komt hij regelmatig terug op de relatie tussen Verlichting en Romantiek. Dat betreft in het bijzonder zijn beschouwingen over de bekende, uit de Verlichting stammende voorloper van de Romantiek Jean-Jacques Rousseau6 en wat hij schrijft over kunst en engagement.7 En zelfs zijn historische analyse van de culturele en politieke rivaliteit tussen Duitsland en Frankrijk is niet vrij van de erfenis van de Verlichting en Romantiek.8

Volgens Doorman is er aan het einde van de achttiende eeuw een romantische orde ontstaan die de wereld tot op de dag van vandaag in de greep heeft. De romantische orde is een dieptestructuur die bepalend is voor wat zich in politiek, cultuur en kunst manifesteert. Een van de producten van deze orde is een nieuw begrip van ironie. De romantische ironie zegt niet eenvoudigweg het tegenovergestelde van wat wordt beweerd, maar ondermijnt het. Voor romantici als Friedrich Schlegel en Novalis is ironie een ernstige zaak, omdat het de erkenning is van dat waarnaar wordt verlangd maar nooit wordt bereikt. Volgens hen wordt de mens gedreven door het verlangen naar het oneindige. Daaraan uitdrukking verlenen is geboden, maar zal mislukken. Elk kunstwerk is een tot mislukking gedoemde gooi naar het oneindige, omdat een eindig wezen slechts een fragment van het onmetelijke universum aan het licht kan brengen. Een criticus moet volgens Friedrich Schlegel het bijzondere aan het algemene, het deel aan het geheel koppelen en beseffen dat het algemene en het geheel nooit adequaat zullen kunnen worden uitgedrukt. Hierbij past een continue zelf-parodie en het voortdurend op losse schroeven zetten van alles. In plaats van het tegendeel beweren van wat wordt bedoeld, laat de romantische ironie zaken in het midden. Waar de klassieke ironie indirect naar een waarheid verwijst, erkent de romantische ironie dat de waarheid nooit volledig begrepen kan worden, alles onzeker is en niets definitief vaststaat. Richard Rorty is daarom een romanticus als hij ironie beschouwt als het tegendeel van common sense.9 De ironicus erkent de contingentie van het bestaan en neemt niet alles serieus.

De ironie wil dat Doorman, nolens volens opererend binnen de romantische orde, in Steeds mooier een ideaal verdedigt dat juist inherent is aan de Verlichting, namelijk vooruitgang.10 Niettegenstaande alle kritiek op de gedachte dat er vooruitgang is in de kunst, houdt hij eraan vast. Treedt Doorman daarmee buiten de romantische orde? Is er niet eerder sprake van een ironische orde, omdat de tegenstelling tussen Verlichting en Romantiek sterk moet worden gerelativeerd? Zijn er niet continuïteiten tussen beide waar het praten in termen van een romantische orde blind voor is?

Doorman heeft niet alleen op een heldere wijze de ambivalenties die inherent zijn aan de Verlichting en Romantiek uiteengerafeld, maar ook gewezen op de actualiteit ervan. Het lijkt erop dat het spanningsveld tussen beide zich op gezette tijden in een nieuw jasje manifesteert. Aan het eind van de twintigste eeuw woedde in architectuur, beeldende kunst, literatuur en filosofie een heftig debat tussen modernisten en postmodernisten. Terwijl de modernisten vasthielden aan de met de Verlichting verbonden universalistische waarden, bekritiseerden postmodernen deze met argumenten die vaak al in de romantiek te horen waren geweest (Lyotard 1979; Habermas 1985; Cahoone 2003). In 2007 startte Pascal Bruckner een discussie over de noodzaak om de waarden van de Verlichting te verdedigen tegen het oprukkende Islamitisch fundamentalisme (Chervel en Seeliger 2007). De laatste jaren tekent zich in de politieke openbaarheid een strijd af tussen populisten die een romantisch nationalisme omarmen en liberalen die zich inzetten voor kosmopolitische Verlichtingsidealen (Ward 2020; Reno 2021).

Diverse auteurs buigen zich met hun bijdrage aan dit liber amicorum over de immer actuele Verlichting en Romantiek. Daarbij onderzoeken zij vanuit verschillende disciplines het werk van Doorman. Met qua inhoud en stijl zeer uiteenlopende reflecties over de Verlichting en de Romantiek dragen zij bij aan de geschiedenis van het heden.

Heleen Pott kritiseert in haar essay Goethe in Maastricht Doormans stelling dat een groepje Duitse dichters en denkers een romantische orde heeft gecreëerd die tot op de dag van vandaag een stempel drukt op ideeën over kunst, politiek en wetenschap. Door de Verlichting te reduceren tot een constructie van de Romantiek die enkel dient als antipode bij het bepalen van de eigen identiteit, doet Doorman volgens haar geen recht aan de werkelijkheid. Pott vraagt zich af of het niet de Verlichting is geweest die de bakermat vormt van de Europese cultuur. Britse en Franse Verlichtingsdenkers hebben immers het proces van verinnerlijking en bevrijding van emoties geïnitieerd en niet romantische Duitse dichters en denkers. Voor zover er al sprake is van een romantische orde wordt ze door de huidige cultuurcrisis in gevaar gebracht, hetgeen ironische filosofen in een legitimatiecrisis stort, aldus Pott.

In zijn bijdrage Een gebarsten ketel verdiept Arnold Heumakers zich in het vooruitgangsperspectief dat inherent is aan de romantische esthetiek, namelijk de idee dat kunst origineel behoort te zijn en nieuwe mogelijkheden moet uitvinden. De esthetische eis dat kunstenaars niet iets moeten doen wat vóór hen al is gedaan en zich dienen te verzetten tegen artistieke conventies, is onverenigbaar met de productie van clichés. Met deze gedachte in het achterhoofd stelt Charles Baudelaire: “Een cliché verzinnen is geniaal”. Hij bedoelt niet dat geniale schrijvers in clichés moeten schrijven, maar dat zij ze moeten verzinnen. In het verlengde hiervan betoogt Heumakers dat Gustave Flaubert met Madame Bovary op een originele manier allerlei clichés (zoals de kitsch van de liefdesromantiek) innovatief te lijf gaat.

Maria Kardaun verkent in het essay Die blaue Blume vooral de verschillen tussen filosofie en literatuur. In navolging van L.M. de Rijk beargumenteert zij dat de filosofie net als de wetenschap thuishoort in het ‘waarheidsdomein’, waarin logisch redenerend fundamentele vraagstukken worden verhelderd, terwijl de literatuur en andere kunsten het beste tot hun recht komen binnen het ‘werkzaamheidsdomein’, waar het gaat om wat werkt en betekenisvol is. De literatuur geeft uitdrukking aan wat mensen beweegt en emotioneel raakt. Zo probeert de Duitse Romantiek woorden te vinden voor het onbestemde, oneindige en ongrijpbare verlangen, waarvoor de blauwe bloem symbool staat. Meer dan de Verlichting heeft de Romantiek oog voor wat alleen getoond en niet beredeneerd kan worden, aldus Kardaun.

In zijn bijdrage Rugbeelden merkt K. Michel op dat de romantische kunstenaar Caspar David Friedrich veel schilderijen heeft gemaakt waarop personen worden getoond die op de rug worden gezien. Hem intrigeert vooral het schilderij Der Chasseur im Walde (1814) die een soldaat laat zien die aan een bosrand stilstaat en twijfelt of hij het pad moet vervolgen. Hij staat ogenschijnlijk op een soort drempel tussen een met licht overgoten sneeuwvlakte en het donkere woud. K. Michel vraagt zich af of hier een parallel ligt met de spanning tussen Verlichting en Romantiek. Naast dit rugbeeld presenteert hij nog andere fascinerende rugbeelden, zoals bij voorbeeld mensen die voor het venster van een winkelpand een haag van ruggen vormen omdat ze in de ban zijn van wat achter het venster te zien is, de Sphinx in Egypte die alleen van achteren te zien is, een massa mensen die gebiologeerd naar een podium kijkt, en een door Walter Benjamin beschreven schilderij van Paul Klee waarop een engel te zien is die met de rug naar de toekomst is gekeerd.

Peter Peters analyseert in zijn essay Een vraagteken in de lente het lied ‘Frühlingstraum’ uit de liederencyclus Winterreise van de romantische componist Franz Schubert. Het lied gaat over iemand die droomt van de lente met kleurrijke bloemen in mei. Als hij ontwaakt en ijsbloemen op de ramen ziet, realiseert hij zich dat het winter is. Peters laat zien dat Schubert met zijn liederencyclus (over een man die na te zijn afgewezen door zijn geliefde door een winterlandschap reist) nieuwe muzikale wegen inslaat. Terwijl in de barok- en klassieke periode de variatie vaak een herhaling is, klinkt de herhaling bij Schubert als een variatie.

In zijn bijdrage Dialectiek en grensgangers neemt Joseph Wachelder de dialectiek van Verlichting en Romantiek in het oeuvre van Doorman kritisch onder de loep. Wie de drijvende krachten achter de veranderingen in de natuurwetenschappen rond 1800 bestudeert, constateert dat van deze dialectiek niet of nauwelijks sprake is. De geniën uit die tijd zijn volgens Wachelder eerder grensgangers dan dialectici. In de wetenschap zijn grensgangers degenen die geïnvolveerd zijn in de kennisuitwisseling tussen verschillende landen, vanuit verschillende contexten naar specifieke fenomenen kijken en nieuwe onderzoeksmethoden combineren. Wachelder illustreert dit met onder andere de wetenschappelijke controverse over de kleurenleer in de 19e eeuw.

Stine Jensen erkent in haar column Goodnight Ladies weliswaar dat Doorman worstelt met de dialectiek tussen Verlichting en Romantiek, maar dat hij als puntje bij paaltje komt een positie inneemt. Volgens haar is hij een romanticus. Om deze these te onderbouwen beroept zij zich niet alleen op Doormans bekentenis dat tijdens zijn begrafenis ‘Goodnight Ladies’ van Lou Reeds album Transformer moet worden gedraaid, maar ook op zijn esthetica. Bij de kritische beoordeling en waardering van kunst zou het volgens diens esthetica over de inhoud, de emoties en de vorm moeten gaan. Jensen brengt ook nog een andere belangrijke kwestie onder de aandacht, namelijk de vraag wat de juiste relatie tussen kunst en engagement is.

In de bijdrage Het onbehagen in de geschiedenis. Émile Zola en het Tweede Keizerrijk focust Arnold Labrie op de negentiende eeuw, die in de ogen van velen de historische eeuw per excellence is. De professionele geschiedwetenschap die dan ontstaat vervult de rol van collectief geheugen in een samenleving die zich als gevolg van de Franse en industriële revolutie rap verwijderd van het verleden. De reacties liepen uiteen van een pessimistische vrees voor verval tot een optimistisch vooruitgangsgeloof, die voor een deel corresponderen met de tegenstelling tussen Romantiek en Verlichting. Labrie rafelt de macht van de geschiedenis uiteen door een analyse van de uit twintig delen bestaande roman Les Rougon-Macquart van Émile Zola. Daarin ontpopt de Franse schrijver zich als een chroniqueur die alle lagen van het Tweede Keizerrijk van Louis-Napoléon blootlegt en zijn eigen onbehagen over de voortijlende geschiedenis niet onder stoelen of banken steekt.

Rein Wolfs reflecteert in zijn essay Altijd perspectivisch over de immer terugkerende vraag of kunst over waarheid of schoonheid gaat, of over beide. Door in termen van ware schoonheid te spreken is hij op zoek naar een verbinding tussen beide. Zijns inziens is ware schoonheid niet absoluut vast te stellen en altijd perspectivisch bepaald. Vanuit die achtergrond beschouwt hij de dialectiek tussen Verlichting en Romantiek in de beeldende kunst, in het bijzonder het werk van conceptueel kunstenaar Bas Jan Ader. Toont zijn werk niet dat ware schoonheid kan bestaan uit het combineren van een romantisch sentiment met een conceptualisme dat doet denken aan de Verlichting?

Uit de bijdrage En dan op het laatst nog Europa van Tannelie Blom blijkt dat de Europese Unie (EU) het product is van zowel de Verlichting als de Romantiek, omdat voortdurend gelaveerd wordt tussen waarden die soevereine staten met elkaar delen en hun vermeend eigen waarden. De EU confronteert haar burgers met de vraag of ze een soevereine staat is of een samenwerkingsverband gebaseerd op een verdrag tussen soevereine staten. Deze vraag indachtig reflecteert Blom over de kwestie welke EU haar burgers hebben, willen en kunnen hebben? Volgens hem is het gênant dat er een grote discrepantie is tussen hoe de EU feitelijk is en de normatieve overtuigingen die voorschrijven hoe ze behoort te zijn. Blom draagt ideeën aan om in de politieke praktijk van alledag iets aan deze discrepantie te doen.

Bastiaan Bommeljé staat in zijn essay Balanceren tussen twee bergen stil bij de relatie tussen filosofie en poëzie, waarvan Friedrich Hölderlin zegt dat het om twee van elkaar gescheiden bergen gaat. Het is vooral Plato die voor tweespalt heeft gezorgd door de poëzie in de ban te doen, omdat ze de filosofie bij haar zoektocht naar de waarheid in de weg zou staan. Terwijl veel filosofen in de voetsporen van Plato treden door de demarcatie van filosofie en poëzie strikt te handhaven, zijn er weer andere filosofen, zoals Kant en Heidegger, die de sluizen tussen beide openzetten. Bommeljé vindt dat het kritisch rationalisme van Karl Popper waardevol is bij het relativeren van Plato’s tweespalt. Popper doet dat door erop te wijzen wat filosofie en poëzie gemeen hebben: voortgedreven door hoop voortdurend iets uitproberen, zoeken zonder de zekerheid iets te vinden, en het besef dat van het maken van fouten iets geleerd kan worden.

Doormans beschrijving van een reiservaring vormt het opstapje voor de bijdrage Kunstsneeuw van Ruud Hendriks. In zijn essay ‘Ontroeren in de verte’ beschrijft Doorman de herkenbare ervaring van een treinreiziger die na een tijdlang met de trein in een station te hebben stilgestaan kortstondig de illusie heeft dat hij weer begint te rijden tot het besef doordringt dat een andere trein rijdt. Het vaag gevoel van geluk dat deze vervreemding met zich meebrengt, wordt in zekere zin ook beoogt met het project De Coupé van de kunstenaars Lino Hellings en Yvonne Dröge Wendel, waarbij bewoners in de gang van een verpleeghuis voor dementie plaats kunnen nemen in een nagemaakte treincoupé en door de vensters naar een voorbijglijdend Hollands polderlandschap kunnen kijken. Hendriks doet onderzoek naar de vraag of dit soort projecten van kunstenaars bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van leven van mensen met dementie en hun naasten. Hij evalueert de voor- en nadelen van het creëren van parallelle werelden in de dementiezorg.

Net als Stine Jensen roept Daniela Hooghiemstra met haar bijdrage Het beste begrijpen we elkaar als we zwijgen de vraag op of Doorman een romanticus dan wel Verlichtingsdenker is. Voor een antwoord op deze vraag heeft zij haar correspondentie met Doorman over de belevingswereld van hun honden Sammie en Peer nog eens bekeken. Terwijl in het gezin van Doorman hond Sammie impliciet volgens de bij de Verlichtingspedagogiek passende regels is opgevoed, is in het gezin van Hooghiemstra hond Peer opgevoed volgens de pedagogiek van proto-romanticus Rousseau die voorschrijft dat iedereen de gelegenheid moet hebben te worden wij hij is. Opvallend is dat de twee verschillend opgevoede honden het zeer goed met elkaar hebben kunnen vinden. Voor Hooghiemstra is dat het praktische bewijs van Doormans these dat de relatie tussen Verlichting en Romantiek dialectisch is.

In haar essay Lumen naturale haakt Joke Spruyt in op de door Doorman aan de orde gestelde paradox dat in de Romantiek enerzijds een verlangen bestaat om zich te verdiepen in het subject, maar tegelijkertijd wordt erkend dat wat het subject tot subject maakt ongrijpbaar is. Zeker sinds de door René Descartes op de rails gezette bewustzijnsfilosofie speelt deze kwestie de filosofie parten. Enerzijds zijn er filosofen die, zoals Daniel Dennett, mentale tot niet-mentale verschijnselen reduceren en anderzijds filosofen, zoals John Searle, die zich tegen dit reductionisme verzetten en ervan uitgaan dat het bewustzijn iets eigens heeft. Op grond van de taalfilosofie kan deze tegenstelling volgens Spruyt worden beschreven in termen van een intensionalistische en extensionalistische benadering van betekenis. Zij verheldert dat aan de hand van een uitstapje naar de Middeleeuwse semantiek om vervolgens terug te keren tot de door Dennett als romantici weggezette ‘mysterians’ die vinden dat er geen antwoord kan worden gegeven op de vraag hoe het mogelijk is dat materiële entiteiten ten grondslag liggen aan subjectieve ervaringen.

Voorbij de tegenstelling tussen Verlichting en Romantiek schetst Sjoerd de Jong hoe Doorman en hij als studenten filosofie aan de Centrale Interfaculteit in Amsterdam laveren tussen fenomenologische kentheorie, oosterse wijsheid en postmodernisme. Beiden houden er een Schopenhauer-tik aan over. Als redacteuren van het faculteitsblad Cimedart schrijven ze artikelen over de meest uiteenlopende thema’s. De Jong valt dan al op dat Doormans ironie verwant is met de duizelingwekkende ernstige ironie van de romanticus Friedrich Schlegel die stoelt op “een helder bewustzijn van de eeuwige beweeglijkheid van de oneindige chaos.” Nu de wereldgeest van zijn paard is gevallen, lijkt volgens de Jong de tijd voor romantische ironie voorbij te zijn.

René Gabriëls betwijfelt in zijn essay Redelijke vrijheid of het zin heeft om over een romantische orde te spreken die zich sterk onderscheidt van de Verlichting. De taaltheorieën van Johann Gottfried Herder en Wilhelm von Humboldt laten zien dat ideeën die doorgaans worden opgedragen aan beide perioden verenigd kunnen worden, zoals de idee dat taal de werkelijkheid representeert en de idee dat ze een expressie is van de identiteit van mensen en van wat zij denken en ervaren. De Romantiek is hooguit een correctief dat de eenzijdigheden van de Verlichting compenseert, zoals een al te natuurwetenschappelijke kijk op de natuur. De Verlichting en de vroege Romantiek hebben gemeen dat ze streven naar redelijke vrijheid. Gabriëls wijst erop dat tegenwoordig alles waar de redelijke vrijheid voor staat, zoals democratie en mensenrechten, onder druk staat.

Doorman heeft met beeldend kunstenaar Fredie Beckmans een tijd geleden een avontuurlijke reis langs veertig graven van beroemde filosofen gemaakt. Die reis bracht ze langs de tombes van onder anderen Abélard, Rousseau, Hegel, Nietzsche, Beauvoir, Bataille en Adorno. De vrucht van hun reis is het boek Denkers in de Grond. Doorman tekent voor de essays in dit boek en Beckmans voor de foto’s. Laatstgenoemde draagt aan dit liber amicorum bij met een foto getiteld Maarten Doorman zoekt verlichting in het graf van David Hume.

Bibliografie

Cahoone, L. (red.) (2003). From Modernism to Postmodernism. An Anthology. New York: Wiley-Blackwell.

Chervel, Th.; Seeliger, A. (red.) (2007). Islam in Europa. Eine internationale Debatte. Frankfurt am Main: Suhrkamp.

Doorman, M. (1997). Steeds mooier. Over vooruitgang in de kunst. Amsterdam: Prometheus.

Doorman, M. (2001). De vrede graast zonder genade. Over literaire kritiek. Amsterdam: Bert Bakker.

Doorman, M. (2004a). De Romantische orde. Amsterdam: Bert Bakker.

Doorman, M. (2004b). Kiekertak en Klotterbrooke. Gedachten over de canon. Amsterdam: Bert Bakker.

Doorman, M. (2012). Rousseau en ik. Amsterdam: Bert Bakker.

Doorman, M. (2016). De navel van Daphne. Over kunst en engagement. Amsterdam: Prometheus.

Doorman, M. (2023). Een jager in het woud. Frankrijk, Duitsland, Europa. Amsterdam: Prometheus.

Doorman, M.; De Jong, S. (1991). “Elk beest zijn vet”, fablesken van Doorman (tekst) en De Jong (illustraties). Amsterdam: Bert Bakker.

Doorman, M.; Beckmans, F. (2010). Denkers in de Grond. Een homerun langs 40 graven. Amsterdam: Bert Bakker.

Habermas, J. (1985). Der philosophische Diskurs der Moderne. Zwölf Vorlesungen. Frankfurt am Main: Suhrkamp.

Lyotard, J-F. (1979). La condition postmoderne. Paris: Les Éditions de Minuit.

Reno, R.R. (2021). Return of the Strong Gods. Nationalism, Populism, and the Future of the West. Washington: Regnery Gateway.

Rorty, R. (1989). Contingency, irony, and solidarity. Cambridge: Cambridge University Press.

Taylor, Ch. (1989). Sources of the Self. The Making of the Modern Identity. Cambridge (MA): Harvard University Press.

Ward, L. (red.) (2020). Cosmopolitanism and Its Discontents. Rethinking Politics in the Age of Brexit and Trump. Washington: Lexington Books.

Wittgenstein, L. (1978). Vorlesungen über die Grundlagen der Mathematik. Frankfurt am Main: Suhrkamp.

Wittgenstein, L. (1984 [1952]). Philosophische Untersuchungen. In: idem, Werkausgabe Band 1, Frankfurt am Main: Suhrkamp.

Zöllner, F. (2000). `Paul Klee. Hauptweg und Nebenwege (1929)‘. In: Wallraf-Richartz Jahrbuch, Band I.XI, pp. 263-288.

Comments
0
comment
No comments here
Why not start the discussion?