Skip to main content
SearchLoginLogin or Signup

Balanceren tussen twee bergen

Het oeuvre van Maarten Doorman in het licht van Plato’s tweespalt

Published onJun 27, 2024
Balanceren tussen twee bergen

Hoewel men dit op eerste aanblik niet zou durven zeggen, heeft Professor dr. Maarten Doorman zijn gehele werkzame leven een gevaarlijk bestaan geleid. Alsof het niet verontrustend genoeg is dat hij zich wijdt aan de wijsbegeerte, beoefent hij daarnaast ook nog de poëzie, terwijl hij deze tegenstrevende krachten in toom tracht te houden met essayistiek. Geen wonder derhalve dat hij met een aanzienlijk deel van zijn wijsgerig oeuvre en zeker met zijn talrijke ‘opstellen over kunst, literatuur en filosofie’ probeert het vege intellectuele lijf te redden door bruggen te slaan, of klimtouwen te spannen tussen de esthetische en de logische bezigheden van de mens. Wie dan ook goed kijkt naar zijn boeken over de Romantiek, over vooruitgang in de kunsten, over Rousseau en de erfzonde van de authenticiteit, alsook over de culturele keurslijven van Frankrijk en Duitsland, ontdekt dat Doorman niet zelden misschien meer als een historicus dan als een filosoof opereert. Gelukkig maar, is men als historicus geneigd te denken, hoezeer ook ‘filosoof’ bepaald chiquer klinkt dan ‘geschiedkundige’.

Niettemin is Doorman zelfverklaard ‘filosoof en dichter’ en aan zijn schriftelijke productie te zien, zal hij dat blijven tot ook hij merkt dat hij in de huidige tijd veel, zeer veel, en wellicht te veel navolging heeft gekregen met dat tweesporen-bestaan. Wie tegenwoordig nog moed genoeg heeft om de opiniepagina’s van de landelijke kranten te lezen, kan immers niet gemakkelijk de indruk ontwijken dat er thans talloos veel miljoenen zijn die zich ‘filosoof en dichter’ dan wel ‘dichter en filosoof’ noemen. Hoe vaak ook bij lezing snel blijkt dat ze geen van beide zijn, maar slechts producten van eigentijds academisch onderwijs, het staat vast dat Doorman voor hen een wegbereider en pionier was met zijn onverschrokken coming out als filosoof-dichter.

Gewone stervelingen kunnen oog in oog met deze stoutmoedigheid slechts deemoedig glimlachen en Doorman bewonderen omdat hij al zo lang twee botsende zielen meetorst. Als filosoof weet hij immers al te goed dat ‘er een oude tweespalt bestaat tussen filosofie en poëzie’, zoals Plato dat in 380 voor onze jaartelling uitdrukte in zijn Staat (Politeia 607b5-6), waarna Socrates doodleuk voorstelde de poëten te verbannen en daarna misschien alleen Homerus nog serieus te nemen. En als dichter weet hij dat het daarna nooit meer helemaal goed is gekomen tussen de filosofie en de poëzie, en dat deze twee sindsdien feitelijk existeren als uitgebluste geliefden, die in de woorden van Hölderlin ‘Nah wohnen, ermattend auf / Getrenntesten Bergen’.

De houding jegens poëzie van Plato en Socrates was overigens behoorlijk iconoclastisch in een wereld waarin poëzie gold als de moeder van alle kunsten en presocratische filosofen zoals Xenophanes, Parmenides en Empedocles in verzen schreven. Nu is het waar dat de presocraat Heraclitus, als men op de paar overgeleverde fragmenten mag afgaan, al bijtende kritiek had op het idee van dichters als bezitters van ‘inzicht’, maar na Plato werd de aanspraak op ‘wijsheid’ (sophia) die voorheen werd gemaakt door en namens de dichters definitief van tafel geveegd. In zijn Staat (597e) verklaarde hij dat de poëzie niet meer was dan een vorm van imitatie en dus niets met ‘waarheid’ van doen kon hebben, en dat dichters weinig anders konden dan imiteren en daarvoor ‘louter steunden op woorden’ (601a). De conclusie van Plato is duidelijk: poëzie corrumpeert zelfs de meest verheven mens (607b).

Hoewel Aristoteles nog wel sussend opmerkte dat poëzie in elk geval ‘filosofischer is dan geschiedenis’, omdat ze ‘meer over universalia spreekt’, en dat dichterlijke vormen als tragedie en epos het vermogen hebben om diepe kenmerken van ‘menselijke daden en levens’ te onthullen, waren de piketpalen geslagen. Vanaf toen golden filosofie en poëzie als concurrerende bronnen van kennis en begrip. Het toneel was klaar voor langdurige debatten over hun relatie en voor de twee wedijverende zielen in de borst van Maarten Doorman.

Vanuit een geschiedkundig perspectief zou men met enige lichtvoetigheid de gehele westerse wijsbegeerte na Plato kunnen zien als voetnoten om deze demarcatie tussen filosofie en poëzie ofwel strikt overeind te houden ofwel vloeibaar en permeabel te maken. Beide benaderingen bleken overigens niet bijzonder succesvol, want zowel prikkeldraad als verwantschap is nu eenmaal inherent deel van hun relatie. Terwijl filosofie en poëzie in welke mate dan ook verschillend beogen te zijn, gebruiken ze allebei immers taal als bouwmateriaal en worstelen derhalve steevast met vorm en inhoud. Voor wie het wijsgerig en poëtisch oeuvre van Doorman kent (misschien in het bijzonder de boeken Rousseau en ik en Engagement in de kunst alsook de dichtbundels Wie niet en Kloppend heden), is dit alles geen verrassing.

Voor de goedwillende lezer van zowel filosofie als poëzie is het evident dat wijsgeren en dichters ongeacht hun ambities (‘het formuleren van houdbare preposities’, ‘inzicht in de waarheid’, ‘begrip van goed en kwaad’, ‘het scheiden van schijn en werkelijkheid’, ‘staren in de diepte van de menselijke ziel’, ‘doorgronden van de raadsel van de existentie’, ‘licht werpen op de levensproblemen’) onontkoombaar oplopen tegen de grenzen van de taal, niet zelden met hoofdpijn voor alle betrokkenen als gevolg. Beide genres wortelen nu eenmaal met de complexiteit, ambiguïteit, paradoxaliteit en misschien wel onbegrijpelijkheid van de werkelijkheid en met het gegeven dat taal een wankel karretje is dat voert door onherbergzame landschappen van gedachten, om Belcampo te parafraseren. Geen wonder wellicht dat monosyllabische helderheid in geen van beide genres overdadig voorhanden is.

Dit is allemaal bekend genoeg, en men zou de zaak kunnen afdoen met de gemeenplaats dat filosofie probeert een zienswijze aannemelijk te maken en dat poëzie probeert een zienswijze op te roepen, kortom dat filosofie gaat over menselijke gedachten en poëzie over menselijke geest, of nog korter dat filosofie cognitief is (en tegenspraak oproept), en dat poëzie associatief is (en gevoelens oproept). Wie het de platoonse ‘tweespalt’ en het oeuvre van Maarten Doorman in één greep wil omvatten, zou hiermee waarschijnlijk wel uit te voeten kunnen. Helaas zijn er uiteraard door de gehele geschiedenis van de wijsbegeerte en de dichtkunst heen zowel filosofen als poëten geweest die dit perspectief te begrijpelijk vinden. Zij betoogden dat er veel meer of juist veel minder prikkeldraad in de demarcatielijn aanwezig is dan de traditie wilde.

De strijd barstte waarschijnlijk al los met Epircurus en Zeno, die beiden de poëzie nogal hartgrondig verwierpen. In hun kringen klonk zelfs de voor Grieken blasfemische opvatting dat het ‘volkomen onnodig’ was de eerste strofen van Homerus uit het hoofd te kennen. Daarna rukten Plotinus en Augustinus uit ter verdediging van de dichtkunst, waarbij eerstgenoemde de kracht en waarde van poëzie erkende ‘om de geest te leiden in contemplatie met het goede’. Zij zagen poëzie als een stap op de ladder van de geest naar diens versmelting met ‘het Ene’ (Plotinus) of het goddelijke (Augustinus). Die laatste dacht aanvankelijk, net als Plotinus, dat poëzie de mens de schoonheid van de wereld doet waarderen, wat uiteindelijk tot goddelijke contemplatie kan leiden. Later raakte Augustinus er echter van overtuigd dat zowel poëzie als filosofie in feite bronnen waren van de verdorven opvattingen van het heidendom, en dat ze beide moeten worden ‘uitgeroeid’ om ruimte te maken voor christelijke openbaring. Hij sneerde dat de christenen die tot de stad van God behoren, weten dat het allerhoogste goed in God ligt, terwijl zowel dichters als filosofen menen dat het in henzelf ligt. Terwijl Boethius de filosofie nog prees en poëzie eigenlijk terzijde schoof, haakte de christelijke neoplatonistische denkwereld aan bij Augustinus en plaatste openbaring ver boven zowel poëzie als filosofie. Thomas van Aquino had wel enig oog voor schoonheid en legde ook wel verband met een positievere kijk op dichtkunst, maar ook hij achtte poëzie ondergeschikt aan filosofie en al helemaal aan openbaring. De weigering van Aquino om na 1273 nog een letter te zetten in afwachting van de openbaring die alles duidelijk zou maken, had blijkbaar te maken met deze opvatting.

Alles veranderde met Immanuel Kant. Die associeerde poëzie plots met genialiteit. Hij meende dat in het menselijk streven naar a priori-principes alles draaide om het genie dat de mens in staat stelt om van de natuur naar de poëzie te gaan, waarbij de poëzie als hoogste kunst de mens toegang geeft tot aspecten van de fenomenale wereld die verder gaan dan wat de natuur zelf kan bieden, en uiteindelijk tot God zelf via morele gevoelens. Dit was een beslissende wending, althans in de continentale wijsbegeerte. Na Kant kwam de poëzie er beter op te staan bij filosofen. Vooral in de Duitse denktraditie kreeg poëzie een ongekende status, waarbij onder anderen Fichte, Hegel, Nietzsche en Heidegger stelden dat de reikwijdte, grenzen en mogelijkheden van de filosofie nauw verweven waren met die van de poëzie. Hierbij dient te worden aangetekend dat Hegel dichters wel degelijk wantrouwde ‘als hun doel wijsheid is’. In zijn ogen steunde filosofie weliswaar op ‘dichtende Vernunft’ en ‘dichtendes Denken’, maar poëzie zelf achtte hij ontoereikend voor de ‘volheid van het zelfbewustzijn’, wat volgens hem het doel van de filosofie is.

Hier ontbreekt de ruimte om in te gaan op de bijtende kritiek van Schopenhauer op Hegels denkbeelden (‘de filosofie van absolute nonsens’), waarbij hij zijn collega-wijsgeer om de oren sloeg met de woorden van De Bard die zo dikwijls van pas komen bij diepe denkers: ‘Such stuff as madmen; Ttongue and brain not’ (Cymbeline 5,4). Zeker is dat de terugkeer van poëzie als bron van kennis een ronduit cruciale rol speelde in de opvattingen van Nietzsche. Die betoogde bijvoorbeeld in Menschliches, Allzumenschliches dat poëzie ‘wegwijzers’ voor de toekomst oplevert door voorbeelden en mogelijkheden te bieden aan grote en mooie zielen om de ‘steeds toenemende verhevenheid van de mens’ in kaart te brengen en te belichamen. Om deze taak te volbrengen, moesten dichters in zijn ogen ‘in onmiddellijk contact komen met de werkelijkheid’, zoals de klassieke Griekse dichters dat hadden, en ook de rationaliteit van de socratische filosofie verwerpen.

In menig opzicht werden de denkbeelden van Nietzsche verder uitgewerkt door Heidegger met de formulering van zijn visie dat poëzie ‘de werkelijkheid zoals die werkelijk bestaat’, verlicht en ontmaskert. Onder andere in Der Ursprung des Kunstwerkes betoogde hij dat de pogingen van de wetenschap om taal te begrijpen en vorm te geven zinloos waren, omdat taal de mens vormt. Om onszelf ‘werkelijk’ te leren kennen, dient men terug te keren naar een taal die het meest zuiver gesproken wordt, en die taal is volgens Heidegger de poëzie.

Opmerkelijk genoeg sloot Wittgenstein zich min of meer hierbij aan, indien men althans mag afgaan op zijn befaamde dagboeknotitie uit 1934: ‘Ich glaube meine Stellung zur Philosophie dadurch zusammengefaßt zu haben indem ich sagte: Philosophie dürfte man eigentlich nur dichten.’ Misschien fluisterden zijn continentale wortels hem dit in, maar in elk geval zeiden niet veel taalfilosofen het hem na. Weliswaar bleef men op het continent bij monde van Gadamer, Sartre en Badiou wel mopperen dat de ondergeschiktheid van poëzie aan rationalisme vooral een symptoom van een specifiek westerse ‘ziekte’, maar aanvankelijk had de analytische filosofie weinig geduld met het poëtische gebruik van taal en met de morele, culturele betekenis ervan om het menselijk leven te kunnen begrijpen. Men had genoeg om handen met de erfenis die Frege had nagelaten met zijn zoektocht naar ‘zin’, ’betekenis’ en ‘waarheidswaarde’ – en gedichten kunnen en willen geen van deze bevatten.

Enkele decennialang groeiden de analytische filosofie en de poëzie steeds verder uit elkaar, vooral omdat de denkers en de dichters radicaal andere verwachtingen over taal hadden. Hierin is echter vrij recent verandering gekomen. Zo hield Richard Rorty in 2004 een reeks lezingen die werden gepubliceerd onder de titel Philosophy as Poetry. Nu is Rorty ooit wel omschreven als ‘een filosoof zonder filosofie’ – en dat klinkt eerlijk gezegd als een behoorlijk groot compliment – maar in dit werk biedt hij een visie op filosofie als een gedicht, beginnend bij de oude Grieken en herschreven door opeenvolgende generaties denkers die rijm en ritme probeerden te verbeteren. Als pragmatist eindigt hij met een verkwikkende opschorting van de notie dat er intellectuele grenzen bestaan, en richt hij (net zoals Doorman) de blik op de Romantische traditie, waarbij hij onder meer de poëzie uit die periode in verband brengt met het filosofisch denken.

Ook Roger Scruton – die voordat hij een mopperende conservatieve columnist werd een geacht filosoof was met wortels in de analytische traditie – heeft gewezen op het filosofisch belang van de dichtkunst. Sterker nog, volgens hem is de essentie van poëzie ‘het vaststellen, funderen en oprichten van waarheid’. Hiermee keerde hij in feite terug naar Heideggers concept van waarheid, die geen logische waarheid is, maar aletheia, de seculiere versie van goddelijke openbaring, welke te vinden zou zijn in poëzie.

Bezien vanuit Hölderlins andere berg, waar de dichtkunst zetelt, springt bij dit geredekavel over de eeuwenoude platoonse tweespalt onwillekeurig de opmerking van T.S. Elliot in gedachten dat ‘filosofie een onwelkome gast is in het gezelschap van echte kunst en echte wetenschap’. Waarschijnlijk bedoelde hij dit ironisch, maar helemaal zeker weet je dat nooit bij de dichter van The Waste Land die insisteerde dat goede poëzie moeilijke poëzie is. Hij was trouwens niet de enige ‘filosofische dichter’ in wiens poëzie de wijsbegeerte de rol speelt als schepper van een soort meta-poëzie, zodat het dichtwerk uiteindelijk vooral verwijst naar zichzelf. Voor ogen springen bijvoorbeeld Schillers ‘sentimentele poëzie’, Schlegels ‘transcendentale poëzie’ en de ‘intellectuele poëzie van Borges’.

Hoewel we hier onmiskenbaar het domein betreden van de bruggen en klimtouwen die Doorman in zijn oeuvre heeft gebouwd om te balanceren tussen filosofie en poëzie, doemt ook een akelig platvloerse, maar onmiskenbaar urgente vraag op: betekent dit alles nu iets, of is het een consequentieloos woordenspel?

Deze vraag lijkt me gerechtvaardigd met het oog op datgene wat een buitenstaander – zeg een historicus en uitgever van filosofische boeken – momenteel ziet als hij op zoek gaat naar de stand van de wijsbegeerte. Verontrustend vaak stuit men dan, naast de talloze dichters-filosofen en filosofen-dichters op de opiniepagina’s, op wijsgerige betogen over yogamatjes, levenskunst, gelukkig worden en ‘heel-de-mens-zijn’. Slaat men dan Filosofie Magazine dicht en een filosofisch vaktijdschrift open, dan valt het oog al snel op zinnen als ‘The problematisation of the spatiality in the materiality of the posthuman self-reflexivity in our trans-global identity’. Anders gezegd: filosofisch bedoelde zinnen die als postmoderne zombies door een levenloze academische woestijn ronddolen.

Zouden, zo vraagt de buitenstaander, zich dan af, filosofen zich zelf nog wel druk maken over zaken als ‘betekenis’? Of ligt er juist een diepe sociologische en maatschappelijke betekenis in het gegeven dat er geen betekenis schuilt in dit soort woorden en zinnen, en dus ook geen tegenspraak mogelijk is? Ja, erkent de eigentijdse filosofie nog een demarcatie tussen betekenisloos en betekenis, tussen onjuist en juist, tussen verbale mist en heldere formuleringen? En vanuit Hölderlins bergen en de platoonse tweespalt gesteld: kan een moderne dichter nog een onpubliceerbaar gedicht schrijven, en kan een moderne filosoof nog wel ongelijk hebben?

In dit verband is het een opluchting dat vrij recent in verband met de getroebleerde relatie tussen filosofie en poëzie in wijsgerige kring is gewezen op de denkbeelden over kunst en literatuur van de filosoof die Plato vernietigend bekritiseerde en die de zoektocht naar het eigen ongelijk tot fundament van zijn denkwijze maakte. Niet veel mensen zullen Karl Popper in verband brengen met poëzie en kunst, en nog meer mensen zullen vergeten zijn dat de fameuze kunsthistoricus Ernst Gombrich zich in zijn kunstkritiek nadrukkelijk beriep op Poppers epistemologie bij zijn verwerping van essentialisme in zijn kunstopvatting. Niet lang geleden probeerden de Australische filosoof Alexander Naraniecki met het artikel Karl Popper on the Unknown Logic of Artistic Production and Creative Discovery’ (Culture and dialogue 4 (2016): 263-282) en de Amerikaanse filosoof Thomas Trzyna met zijn studie Karl Popper and Literary Theory: Critical Rationalism as a Philosophy of Literature (Leiden 2017) de kritisch rationalistische opvatting van kunst en poëzie nieuw leven in te blazen.

Hierbij wezen ze vooral op de ‘Wereld 3’-these van Popper, het objectief reële, maar niet empirische domein van menselijke scheppingen (uitvindingen, ideeën en kunstzinnige creaties), waarbij voor al deze scheppingen andere regels gelden, maar de scheppingsdaad (de ‘ontdekking’) zelf zich onttrekt aan elke logica of regel. Bij veel filosofen, om maar te zwijgen van de dichters, wekt Poppers naam waarschijnlijk vooral afwerende of verveelde reacties omdat zij hem associëren met pogingen hun vakgebied te persen in een rigide keurslijf van de natuurwetenschappelijke methoden en epistemologische regelgeving. Dat past niet meer zo in een tijd van ‘morele ambities’ waarin iedereen een mening heeft, journalisten zichzelf ‘duiders’ noemen en historici ervan overtuigd zijn dat het verleden iets is om excuses voor aan te bieden.

Eerlijk gezegd blijven de pogingen van Naraniecki en Trzyna een beetje steken in een overmaat aan goede bedoelingen en dito verbositeit. De waarde van Poppers kritisch-rationalistische perspectief ter verlichting van de tweespalt tussen filosofie en poëzie ligt dan ook niet in specifieke handreikingen voor dubbende dichters of tobbende filosofen. Ze ligt ook niet direct in zijn kennistheoretische visie op de ontwikkelingsgang der wetenschap door middel van de falsificatie-procedure, die na Imre Lakatos en Thomas Kuhn toch al niet meer ongedeukt overeind stond. Poppers betekenis dient veeleer gezocht te worden in het gegeven dat, hoewel zijn presentatie en toon soms het tegendeel deden vermoeden, zijn filosofie uiteindelijk een tamelijk bescheiden en menselijke onderneming was.

Poppers uitgangspunt was; er bestaat geen zekerheid, zoveel is zeker; het enige plechtanker is slechts het altijd onzekere en zo vaak gesmade gezonde verstand. Dan is er zijn a-aprioristische benadering, waarbij vooruitgang slechts mogelijk is door kritiek en zelfkritiek. In Objective Knowledge schreef hij kortweg: ‘Alle filosofie is verlicht gezond verstand. Vandaar dat we beginnen met een vaag startpunt, en verder bouwen op wankele fundamenten. [...] Het mooie instrument dat we hebben voor vooruitgang is kritiek.’

Zo zijn er drie algemene filosofische koerswijzigingen die Popper initieerde, en die elk aansluiten bij thema’s uit Doormans werk (hoewel hij dat zelf denkelijk vurig zal tegenspreken, waarna het popperiaanse principe vanzelf in werking treedt).

– In de eerste plaats is dat het perspectief dat wetenschap (inclusief filosofie) een proces is, een historische ontwikkelingsgang dus, waarbij er op een sprongsgewijze en onregelmatige manier sprake is van een vooruitgang of in ieder geval van groei van kennis. (Dit sluit aan bij Doormans opvatting dat er ook sprake is van ‘vooruitgang’ in de kunst.)

– In de tweede plaats is dat zijn nieuwe oplossing voor het ‘demarcatieprobleem’ (hoe onderscheidt men wetenschappelijke uitspraken van niet-wetenschappelijke uitspraken?): niet doordat ze toetsbaar zijn, maar doordat ze weerlegbaar zijn en bekritiseerd kunnen worden (kom daar maar eens om in de moderne filosofie). Anders dan logici van de Wiener Kreis en Angelsaksische logisch-positivisten verwierp Popper het aloude onderscheid tussen ‘zinloze’ en ‘zinvolle’ uitspraken als demarcatielijn. In tegenstelling tot wat sommige critici hem verweten, stond hij niet negatief tegenover metafysica of speculatie. Popper hield weliswaar vast aan de logica als grondslag voor de rationaliteit, maar zijn filosofie ging uit naar de scheidslijn tussen wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk, en niet naar de ‘logische’ scheidslijn tussen zinvol en zinloos. Intuïtie, schijnbaar zinloze uitspraken en zelfs visioenen konden volgens hem wel degelijk van nut zijn om het filosofische proces van gissingen en weerleggingen draaiende te houden. (Dit sluit aan bij Doormans opvatting dat er wel degelijk een demarcatie bestaat tussen niet-poëzie en poëzie, tussen ‘goede’ en ‘minder goede’ poëzie.)

– In de derde plaats is dat zijn visie dat het ‘concurrentieprobleem’ (waarom is de ene wetenschappelijke uitspraak te verkiezen boven de andere?) op te lossen is via de openbare – ‘Darwiniaanse’, zoals hij zich ooit liet ontvallen – krachtmeting van theorieën, waarbij het gehalte aan informatie, geldigheid, probleemoplossend vermogen en waarheidsbenadering de doorslag geeft. Poppers belangrijkste inzicht is dus misschien wel dat wetenschap en filosofie mensenwerk blijkt, en niets anders behelst dan ‘een variant van het gezond verstand’. Of scherper geformuleerd: wetenschap en filosofie zijn niets dan een moment in het functioneren van dat gezonde verstand, want het gaat om een nimmer eindigend proces van nieuwe visies en eliminaties daarvan, een eeuwig durende pelgrimstocht van de vrije geest, waarbij de menselijke nieuwsgierigheid de motor is en ongebonden kritiek de brandstof vormt. (Men leze Doormans dichtbundel Het gelijk van de vismarkt alsook zijn pamflet Kiekertak en Klotterbooke; gedachten over de canon.)

Uiteindelijk zullen Poppers gezichtspunten waarschijnlijk vooral relevant zijn voor het schrijven over poëzie (dat echt niet verplicht obscurantistisch hoeft te zijn) en voor het begrijpen van de onderliggende eenheid van de twee onderscheiden bergen van Hölderlin. De Britse filosoof Bryan Magee stelde ooit: ‘Als Popper gelijk heeft, zijn er geen twee culturen – de ene wetenschappelijk en de andere esthetisch, of de ene rationeel en de andere irrationeel – maar één, en wel één menselijke cultuur.’ Hij bedoelde de eenheid van het proces van creatieve ontdekking in filosofie en kunst, inclusief poëzie. Deze eenheid berustte in de ogen van Popper op een onderliggende antropologie die hij ‘evolutionaire epistemologie’ noemde. Centraal hierin stond de opvatting dat een bepalend evolutionair kenmerk van het leven op aarde is dat het zoekt naar ontwikkeling, en dat het dit ‘avontuurlijk’ doet. Dit geldt in de ogen van Popper des te meer voor mensen, ook al zijn die zich daarvan niet altijd bewust.

Die ene cultuur is denkelijk iets waarin zowel de filosoof als de dichter Doorman zich kan herkennen. Die ene cultuur die de ‘never the twain shall meet’ bergen van Hölderlin samenbrengt, kan bijvoorbeeld de vorm hebben van een literair tijdschrift als Hollands Maandblad, waar Doorman als redacteur vijf jaar doende was één platform in stand te houden waar poëzie en filosofische essayistiek zij aan zij het avontuur zochten. Daarmee deed de filosoof-dichter toch maar mooi Plato’s tweespalt tenminste even teniet. Doorman heeft in zijn gehele oeuvre ook gewerkt aan het zoeken naar ontwikkeling en vooruitgang, zowel in filosofie als poëzie. En uiteraard was dat zoeken veel interessanter dan het vinden, want anders zou er weinig aan zijn, en vinden wekt trouwens toch alleen maar twijfels.

Vandaar ook dat wanneer Popper sprak over een ‘zoektocht naar een betere wereld’, hij erop wees dat het perspectief van de zoeker bestaat uit twijfel. Het menselijk leven van filosofen en dichters wordt immers gelijkelijk gekenmerkt door een nooit ophoudende reeks pogingen, mislukkingen en foutcorrecties, voortgedreven door hoop als brandstof, maar altijd zonder de zekerheid een antwoord te vinden. ‘Das Leben’, vatte Popper zijn wereldbeeld samen, ‘ist skeptisch.’

Niettemin is er, juist door het proces vol valpartijen, builen, butsen, geschrapte versregels, verworpen gedachten en zoeken naar het eigen ongelijk onmiskenbaar vooruitgang, en beschaving, en poëzie, en filosofie. Want uiteindelijk is iedereen een goedbedoelende struikelaar, of zoals Popper al die dichters, denkers en doeners in het ondermaanse samenvatte: Alle Menschen sind Philosophen.

Comments
0
comment
No comments here
Why not start the discussion?